Leeswijzer individueel rapport KIJK!

U ontvangt 2x per schooljaar een individueel rapport samengesteld uit observaties met behulp van KIJK 1-2. Gedurende het voorgaande half jaar heeft de leerkracht van uw kind geobserveerd en geregistreerd hoe uw kind zich ontwikkelde.

Het rapport bestaat uit de volgende drie onderdelen.

 

Persoonsgegevens

 

Basisgegevens

 

De basisgegevens informeren u over de basiskenmerken en de betrokkenheid van uw kind.

-       Basiskenmerken, d.w.z.

- het kind is vrij zijn van emotionele belemmeringen

- het kind is nieuwsgierig en ondernemend

- het kind heeft zelfvertrouwen

In hoeverre de basiskenmerken aanwezig zijn leest u in de volgende score:

(Bijna)l altijd: ++

Meer wel dan niet aanwezig: +-

Meer niet dan wel aanwezig: -+

(Bijna) nooit: --

 

-       De betrokkenheid. Hierbij letten wij op de volgende signalen: concentratie, energie, creativiteit en complexiteit, mimiek en houding, doorzetting, nauwkeurigheid, reactietijd en verwoording.

De mate van betrokkenheid wordt in een schaalwaarde van 1-5 weergegeven.
Schaalwaarde 1: geen activiteit

Schaalwaarde 2; vaak onderbroken activiteit

Schaalwaarde 3: min of meer aangehouden activiteit

Schaalwaarde 4: activiteit met intensieve momenten
Schaalwaarde 5: volgehouden intense activiteit.

 

Indien er aanleiding toe is, kunnen ook de risicofactoren aangegeven worden.

 

 

Ontwikkelingslijnen

 

Het grootste deel van het rapport bestaat uit de ontwikkelingslijnen. Boven elke ontwikkelingslijn staat een pijltje bij de leeftijd van uw kind op het moment van afname. De kleur van het pijltje komt overeen met de kleur van de bijbehorende balk.

De gekleurde balk geeft aan waar uw kind zich op dat moment, binnen die ontwikkelingslijn daadwerkelijk bevindt en in hoeverre deze fase is voltooid.

De verschillende ontwikkelingslijnen worden hieronder kort toegelicht.

Zelfbeeld

De ontwikkelingslijn zelfbeeld laat zien hoe de kennis of het beeld dat een kind van zichzelf heeft, zich in groep 1 en 2, stap voor stap ontwikkelt.

Zelfkennis is weet hebben van eigen uiterlijk, eigen capaciteiten, persoonlijkheidskenmerken.

 

Relatie met volwassenen

In de ontwikkelingslijn relatie met volwassenen, wordt beschreven hoe het kind geleidelijk aan meer zelfstandig wordt en daardoor minder de leerkracht nodig heeft.

 

Relatie met andere kinderen

Binnen de ontwikkelingslijn relatie met andere kinderen, ligt de nadruk op het samen spelen en werken.

 

Spelontwikkeling

Bij deze ontwikkelingslijn wordt gekeken naar aspecten als: spelkwaliteit, intensiteit, spelmotivatie, enthousiasme, creativiteit en initiatief.

 

Taakgerichtheid en zelfstandigheid

Binnen deze ontwikkelingslijn gaat het erom dat jonge kinderen gestimuleerd moeten worden om de aandacht te richten en een korte tijd gericht bezig te kunnen zijn met een activiteit. Naar mate de kinderen ouder worden kunnen zij uiteindelijk zelfstandig een (week)taak uitvoeren.

 

Grote motoriek

De ontwikkelingslijn grote motoriek slaat op bewegingen met het hele lichaam, zoals: lopen, springen, kruipen, klimmen, vangen en gooien en het aannemen van lichaamshoudingen.

 

Kleine motoriek

In de ontwikkelingslijn kleine motoriek verwijst men naar activiteiten met de vingers, handen, armen en ogen zoals die een rol spelen bij: het hanteren van voorwerpen, construeren, tekenen en schrijven.

 

Tekenontwikkeling

De tekenontwikkeling binnen deze ontwikkelingslijn beschrijft de ontwikkeling van basiskrabbels naar gedetailleerde tekeningen.

 

Visuele waarneming

In deze ontwikkelingslijn gaat het om alles wat een kind met zijn ogen waarneemt. Het waarnemen ontwikkelt zich van globaal naar gedetailleerd.

In het begin moet een kind vierkanten en cirkels kunnen sorteren, aan het eind van groep twee wordt gevraagd om de letters te sorteren.

Auditieve waarneming

In de ontwikkelingslijn auditieve waarneming moeten kinderen leren luisteren en geluiden, klanken en woorden herkennen, onderscheiden en onthouden.

Activiteiten hierop gericht zijn onder andere voorlezen, leren van opzegversjes, verschil horen tussen korte en lange zinnen, onderscheiden (tellen) van het aantal woorden in een zin, plaatjes zoeken of tekenen die beginnen met een bepaalde klank, rijmen, het aantal lettergrepen van een woord onderscheiden (klappen), zinnen nazeggen etc.

 

Mondelinge taalontwikkeling

Binnen de ontwikkelingslijn van de mondelinge taalontwikkeling wordt in eerste instantie uitgegaan van spontaan taalgebruik en taalbegrip.

Aan de hand van wat een kind spontaan vertelt, wordt een beeld gevormd van de actieve woordenschat, zinsbouw en complexiteit van de zinnen.

 

Lichaamsoriëntatie

Met lichaamsoriëntatie wordt binnen deze ontwikkelingslijn de kennis van het eigen lichaam bedoeld. Het gaat hierbij om kennis van lichaamsdelen, houdingen en bewegingen.

 

Ruimtelijke oriëntatie

Binnen de ontwikkelingslijn ruimtelijke oriëntatie neemt het kind in het begin het eigen lichaam als uitgangspunt. Later leert het kind relaties leggen tussen elementen die zich in de ruimte bevinden. Tot slot leert het kind relaties leggen tussen objecten in het platte vlak.

 

Tijdsoriëntatie

In het begin van de ontwikkelingslijn van de tijdsoriëntatie is een kind in staat om dag en nacht te benoemen en simpele tijdsaanduidingen te gebruiken. Al vroeg hebben kinderen een gevoel voor opeenvolging; ze ontdekken dat bepaalde gebeurtenissen in een zekere volgorde plaatsvinden. Later in de ontwikkeling maakt het gevoel voor tijd plaats voor het begrip van tijd.

 

Beginnende geletterdheid

Tijdens deze ontwikkelingslijn ontwikkelt zich het klankbewustzijn en krijgen kinderen in de gaten dat er een relatie bestaat tussen gesproken en geschreven taal. Geleidelijk aan worden ze zich bewust van het feit dat woorden opgebouwd zijn uit klanken en dat letters de klanken weergeven.

 

Beginnende gecijferdheid

Binnen deze ontwikkelingslijn ontwikkelen de kinderen het inzicht in cijfers en getallen. Ze leren tellen, ordenen, getalstructuren en erbij- en eraf-

vragen oplossen.

 

Ontwikkeling van het logisch denken

In de ontwikkelingslijn van het logisch denken, leren de kinderen in betekenisvolle situaties. Het gaat dan om begrippen die te maken hebben met maat en meten, ruimte en tijd, hoeveelheden en getallen.